Over wrede kunst

Dit is de tekst van een lezing voor But Filmfestival in Breda op 27-08-’26. Twee posities worden naast elkaar gelegd om inzicht te krijgen in de vraag waarom wij zo graag naar ellendige en wrede taferelen in de kunst kijken. Enerzijds Aristoteles’ theorie van katharsis, anderzijds Batailles verlangen naar (tijdelijk) zelfverlies.

Aristoteles’ katharsis

In de Politeia beschrijft Plato hoe Leontius langs het galgenveld wandelt, waar de lijken gemarteld en verminkt liggen. Leontius wil wegkijken, maar iets in hem wil het ook zien; dit schouwspel van wegrottende kadavers. Voor Plato betekende dit dat de mens iets beestachtigs in zich had wat onderdrukt moest worden. Plato’s leerling Aristoteles kijkt hier anders naar. Aristoteles schrijft in de Poëtica – zijn studie naar poëzie – over tragedie. Dit zijn toneelstukken uit de Griekse oudheid vol moord, incest, zelfverminking. En Aristoteles stelt zichzelf dezelfde vraag als Leontius: waarom kijken wij hiernaar? Waarom halen wij daar plezier uit?

Het bekendste voorbeeld is misschien wel Oedipus Rex van Sophocles, een tragisch verhaal waarin koningszoon Oedipus (per ongeluk) z’n vader vermoordt, (per ongeluk) met z’n moeder trouwt en – zodra hij achter beide handelingen komt –  zijn eigen ogen uitsteekt. Deze tragedies werden opgevoerd door acteurs met maskers op die heftige emoties uitbeelden, een koor bezong en becommentarieerde de handelingen van de ‘tragische held’; het publiek suddert.

Aristoteles beschrijft hoe in een tragedie gebeurtenissen worden nagebootst waarin de toeschouwer zich moet kunnen herkennen, wat niet wil zeggen dat het publiek zichzelf herkent in de moord op zijn vader en het trouwen met z’n eigen moeder. Maar dat in de handelingen, de wijze waarop Oedipus zichzelf in de nesten werkt, herkenbaar moet zijn bij het publiek. De tragische held handelt op een wijze die ons ook zou kunnen overkomen, het zijn voor het publiek herkenbare en logische handelingen die uiteindelijk leiden tot het tragisch lot.

Het publiek dat zich herkent in de tragische held – Oedipus in ons geval – weet echter al lang wat er te wachten staat. Er komt een punt dat Oedipus zelf gaat beseffen dat hij zijn vader heeft vermoord en incest heeft gepleegd met zijn moeder. De structuur van de tragedie werkt daar constant naartoe. De spanning wordt hierin opgebouwd. Het prima leven van Oedipus wordt op een bepaald moment totaal verstoord.

Aristoteles beschrijft dit omslagpunt als belangrijk element in de tragedie, het moment dat alle puzzelstukjes in elkaar vallen. Het moment waarop Oedipus’ rustige leven plots volledig op z’n kop gaat staan, zoals ons dat ook kan overkomen. En dat niet omdat Oedipus zo’n eikel is, maar omdat hij gewoon zijn leven leidt. Het omslagpunt is het tragisch moment bij uitstek, een moment dat bij het publiek een ervaring van emoties als vrees en medeleven oproept, een moment waarop ons innerlijk leven affectief – emotioneel – wordt aangesproken. De rilling die door het publiek beweegt op het moment dat het noodlot toeslaat is het gevolg van de herkenning van het publiek in de handelingen van de tragische held en het besef dat dit noodlot ook onderdeel is van ons eigen leven.

Het is in deze ervaring van vrees en medeleven dat Aristoteles de functie van de tragedie ziet, de verklaring waarom we nou toch zo graag naar dit soort weerzinwekkende taferelen kijken. Door dit noodlot plaatsvervangend te ervaren wordt het noodlot van ons eigen leven minder zwaar, worden de angst en de pijn uit ons eigen dagelijks leven verwerkt. Dit noemt Aristoteles katharsis, wat vaak wordt vertaald als ‘zuivering van de ziel’. Het kijken naar – en ons herkennen in – afschuwelijke taferelen helpt ons de ellende uit ons eigen leven te verwerken.

Batailles Kunst, een Oefening in Wreedheid

Tot zover Aristoteles’ positie, de 20e-eeuwse Franse filosoof Georges Bataille gaat in op de zelfde vraag in zijn essay ‘Kunst, een oefening in wreedheid’ (1949). Doorheen zijn hele oeuvre heeft Bataille zich verhouden tot vragen over grensoverschrijding, taboedoorbreking, wreedheid, seks en geweld. Toch stelt hij aan het begin van dit essay dat zelfs het meest wrede schilderij veroordeeld is ons te behagen, niet om ons af te schrikken. En – zo beweert hij in tegenstelling tot Aristoteles – zeker niet om ons te veranderen. Een schilderij waarop iemand gemarteld wordt hangt in een museum om bezoekers aan te trekken. Het is Batailles doel om beter zicht te krijgen in het waarom van deze menselijke fascinatie voor wreedheid, het is namelijk menseigen om de wreedheid altijd bij de ander te plaatsen en weg te kijken voor je eigen fascinatie voor de vernietiging, zo stelt hij. Tegelijkertijd zijn wij in ons leven omringd met beeltenissen van een marteling, denk maar ‘ns aan de hoeveelheid beeltenissen van de doodgemartelde Palestijn en zijn martelwerktuig die in deze stad te vinden zijn.

In een poging om deze fascinatie voor wreedheid te begrijpen neemt Bataille ons mee naar onze jeugd, hij stelt dat elk kind de ervaring heeft gehad dat de wereld waarin wij leven een grap is, een val waarin wij zijn gelopen, waarvan iemand nog de clue moet vertellen. De val – of de grap – is ons eigen individuele bestaan en daarmee de wijze waarop alle individuele dingen afgesloten en geordend een plekje hebben in deze wereld. Het leven in de val beschrijft Bataille als een benauwend, verstikkend bestaan, het kind fantaseert over de mogelijkheid dat plots de clue verteld wordt en hij bevrijd wordt van zijn eigen individuele bestaan. Voor de meeste volwassenen is dat anders, zo beweert Bataille, wij zijn gewend geraakt aan ons eigen individuele bestaan en de wijze waarop de wereld georganiseerd en geordend is. Wij ‘begrijpen’ de wereld om ons heen, hebben er mee leren omgaan. Toch hebben ook veel volwassenen zo-nu-en-dan nog de kinderlijke neiging om uit de realiteit te breken, om de grap bloot te leggen.

Het volledig ontsnappen aan de val – het blootleggen van de grap – van ons beklemmende individuele bestaan, heeft de dood als gevolg. Het individu dat écht zijn eigen bestaan opgeeft sterft en kan dus niet het verlies van zichzelf ervaren. Dit noemt Bataille de dubbele impasse: de mens heeft de neiging om uit het verstikkende bestaan te breken, tegelijkertijd leidt deze bevrijding tot de dood en kan dus niet ervaren worden. De mens beweegt daarin tussen twee uitersten die beide niet voldoenend zijn. De eerder genoemde eeuwenoude fascinatie voor ‘het offer’ is hier een resultaat van, de mens herkent haar eigen verlangen naar de bevrijding in de marteling van Christus, op dezelfde wijze als de Azteken massaal gingen kijken naar de mensenoffers die werden voltrokken, of hoe publieke executies altijd veel bekijks trokken. Door te kijken naar het offer wordt het menselijk verlangen om zelf geofferd te worden aangeraakt, wat leidt tot een intense ervaring van vervoering.

Offerrituelen zijn – en dat is een prima ontwikkeling – uit ons straatbeeld verdwenen, maar de mens verlangt nog steeds naar ‘de scheuren in de werkelijkheid’, het ontmaskeren van de grap. Het is hierin dat Bataille een rol ziet weggelegd voor de kunsten, het voelbaar maken van de zelfopoffering; van de ontsnapping uit de val die het leven lijkt te zijn. Geconfronteerd met grensoverschrijdende kunst wordt de intense ervaring opgeroepen die je uit jezelf laat breken. Kunst beweegt in die zin precies op het raakvlak van de dubbele impasse: het beweegt tussen de georganiseerde wereld en de wereld van zelfoffering.

Voor Bataille is de intensiteit van de emotie, de vervoering van het moment van het offer, het doel van weerzinwekkende kunst. Het laat ons – zij het voor een moment – breken uit de verstikkende grenzen van ons individu, van de wereld, van de redelijkheid. Dit is totaal tegenovergesteld aan de positie van Aristoteles; niet om ons op te laden, maar puur omdat het onderdeel is van ons bestaan.

Concluderend

Dat er binnen de kunsten met enige regelmaat verschrikkelijke taferelen worden afgebeeld, dat weten we allemaal. Maar, waarom doen wij onszelf dit aan? Wat is de motivatie hierachter, volgens Aristoteles bracht het ons een vorm van heling, volgens Bataille een vorm van intense emoties die je eindelijk uit jezelf laat breken. Mogelijk is dit ook gewoon dat per persoon verschillend en dat er nog veel verschillende andere redenen bestaan om onszelf dit aan te doen. Ik hoop jullie met deze lezing in ieder geval iets meegegeven te hebben om over na te denken.

De belangrijkste gedachte die voor mij overblijft is op welke wijze Aristoteles en Bataille gedacht zouden hebben in onze tijd, een tijd waarin de wreedheid niet langer via de kunst tot ons komt, maar via de media. Wij zien dagelijks pijn en ellende op het nieuws, op het internet worden IS-onthoofdingsvideo’s massaal gedeeld. Tegelijkertijd worden wij steeds onverschilliger van deze beelden, de vervoering waar zowel Aristoteles als Bataille over schreef wordt steeds vaker vervangen door schouderophalen. Beantwoordt dit aan dezelfde behoefte als dat waar Aristoteles en Bataille over schrijven, of moeten wij hierin over iets anders spreken? 

Bibliografie

Aristoteles. Over Poëzie. Vertaald, inleading, annotaties en nawoord door Ben Schomakers.

Bataille, Georges. Art, an Exercise in Cruelty. In Critical Essay 2 1949-1951. Vertaald door Benjamin Noys en Alberto Toscano.  Seagull Books, 2024.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *